Bewoningssporen uit de IJzertijd en Romeinse Tijd

Archeologische vondsten uit de IJzertijd en Romeinse tijd in Odijk

Bij de archeologische opgravingen op het Jochem Janszplantsoen in Odijk zijn spectaculaire vondsten uit de IJzertijd en Romeinse tijd gedaan. Er zijn resten van tenminste drie gebouwen uit de IJzertijd en diverse waterputten met houten beschoeiingen gevonden. Verder hebben de archeologen delen van een armband, heel veel aardewerk, een speer- of pijlpunt en munten aangetroffen. De gebouwen lijken te behoren tot een groot nederzettingsterrein langs de Singel en provinciale weg N229, dat vanaf de IJzertijd mogelijk continue bewoond is geweest. In deze zone is in de Vroege Middeleeuwen het dorp Odijk ontstaan.

Vooronderzoek

Uit archeologisch vooronderzoek was al gebleken dat op deze locatie bewoningssporen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en mogelijk ook de Vroege Middeleeuwen aanwezig konden zijn. Bij diverse eerdere archeologische onderzoeken in de directe omgeving, o.a. langs de Singel, zijn heel veel vondsten gedaan. De verwachtingen voor de opgravingen op het Jochem Janszplantsoen waren daarom hoog gespannen.

Video over archeologische vondsten

Archeologische opgravingen Jochem Janszplantsoen Odijk nov 2020
Klik op de afbeelding en bekijk de video over de archeologische opgravingen

De opgraving

De opgravingen zijn begin november 2020 van start gegaan en zijn uitgevoerd door RAAP Archeologisch Adviesbureau. Er zijn drie gebouwen gevonden, waarvan er één waarschijnlijk een huis is geweest, en de andere twee bijgebouwen, die bijvoorbeeld kunnen zijn gebruikt voor opslag. Van de gebouwen zelf is niets overgebleven; alleen de locaties van de palen zijn nog zichtbaar als verkleuringen in de grond. De gebouwen dateren waarschijnlijk uit de IJzertijd (de periode vanaf 800 vóór Christus tot aan de komst van de Romeinen omstreeks het begin van de jaartelling). Ze liggen op het hoogste deel van het terrein, vlak langs de Singel.

Verder van de weg af, in een wat lager gelegen gebied, zijn diverse waterputten opgegraven. De binnenkanten van deze waterputten zijn verstevigd geweest met houten beschoeiingen om het inzakken van de putten te voorkomen. In één van de putten was een beschoeiing van houten vlechtwerk aangebracht. In een andere put bestond de beschoeiing uit een dubbele rij verticaal geplaatste houten planken. Nadat de waterputten in onbruik waren geraakt, vormden zij nog lange tijd kuilen in het landschap. In de Romeinse tijd is in deze kuilen veel afval gedumpt, vooral scherven van vaatwerk.

Bijzondere vondsten

Naast grote hoeveelheden aardewerk zijn er diverse bijzondere en fraaie vondsten, waaronder een fragment van een blauwe, glazen armband, die is versierd met een zigzagdraad van gele glaspasta, een zogenaamde La Tène armband. Deze opvallende armbanden, meestal gemaakt van blauw of paars glas, werden in de Late IJzertijd veel gedragen en werden waarschijnlijk lokaal geproduceerd. Er zijn aanwijzingen dat ze ook in Odijk of in de directe omgeving van Odijk zijn gemaakt. Ze worden meestal teruggevonden op nederzettingsterreinen tussen het afval, waar ze door de dragers werden weggegooid als ze kapot gingen. De armbanden worden ook wel in begravingen gevonden. Ze zijn genoemd naar het plaatsje La Tène in Zwitserland, waar al in de 19e eeuw een grote archeologische vindplaats uit de Late IJzertijd is opgegraven.

Verder zijn er verschillende metalen voorwerpen gevonden, waaronder een Romeinse munt, een ijzeren speer- of pijlpunt en fragmenten van spelden (fibulae). Fibulae komen voor vanaf de IJzertijd en werden gebruikt om kleding vast te maken. Vooral in de Romeinse Tijd waren veel van deze spelden rijkelijk versierd. Voordat de metaalvondsten kunnen worden bestudeerd, moeten ze eerst worden schoongemaakt en geconserveerd.

Nederzettingsterrein

De sporen en vondsten op het Jochem Janszplantsoen lijken deel uit te maken van een groot nederzettingsterrein dat zich vanaf circa 2500 jaar geleden uitstrekte op de westelijke oevers van de Rijn, aan weerszijden van de huidige Singel en provinciale weg N229. In de Romeinse tijd was de Rijn de noordgrens van het Romeinse rijk. Langs de Rijn bouwden de Romeinen tientallen forten (castella), die met elkaar verbonden waren door een weg, de limesweg. Uit archeologische onderzoeken is gebleken dat de zone langs de Rijn bij Odijk in de Romeinse tijd, en ook al in de IJzertijd, heel intensief bewoond is geweest. De oevers van de Rijn waren in die tijd aantrekkelijke vestigingsplaatsen voor de mens vanwege hun hoge en droge ligging, geschiktheid voor akkerbouw, en de nabijheid van de rivier voor visvangst en transport. Er zijn aanwijzingen dat langs de Rijn diverse wegen hebben gelopen, ook al in de IJzertijd.

Bij een eerder onderzoek tussen de Singel en de N229, tegenover het Jochem Janszplantsoen, zijn vier greppels gevonden waarvan wordt vermoed dat deze langs een Romeinse weg gelegen hebben. Het betreft hier niet de militaire hoofdweg; die heeft verder naar het westen gelopen richting het Romeinse fort bij Vechten. De huidige Singel en N229 zijn dus mogelijk hele oude verbindingsroutes, met voorgangers die teruggaan tot in de Romeinse Tijd, en misschien zelfs de IJzertijd.

Terug naar de projectpagina